Environmental Law, Articles


Een milieuschadefonds in Nederland?

Mr Peter de Putter en mr Jonathan Verschuuren(1)

1. Inleiding

De instelling van een algemeen milieuschadefonds ter vervanging van het nog sectoraal opgezette Fonds Luchtverontreiniging is een voornemen dat in het eerste en tweede Nationaal Milieubeleidsplan is terug te vinden. In het kader van de actiepunten A102c en A104 is onlangs een rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van zo'n milieuschadefonds in Nederland, waarbij tevens het Fonds Luchtverontreiniging is geëvalueerd. In dit artikel worden enkele aspecten van dat onderzoek naar voren gehaald. Het onderzoek is uitgebracht in de Publikatiereeks milieubeheer van het ministerie van VROM.(2)



2. Waarom een milieuschadefonds?

De mogelijkheden voor slachtoffers van milieuschade om deze schade vergoed te krijgen worden langzaam beter. Onrechtmatige daadsacties worden vergemakkelijkt door het creëren van risico-aansprakelijkheden. De Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming bieden de mogelijkheid van financiële zekerheidsstelling en ook de opkomst van milieu-aansprakelijkheidsverzekeringen draagt bij aan een beter klimaat voor slachtoffers van milieuschade.

Toch zijn er nog veel gevallen van milieuschade die niet vergoed worden, bijvoorbeeld wanneer de veroorzaker of het veroorzakingsproces onbekend is, de veroorzaker bekend, maar niet aansprakelijk te stellen is of wanneer de veroorzaker bekend is en aansprakelijk, maar de schade niet (geheel) verhaalbaar is. Voor dergelijke situaties wordt wel, onder andere in het NMP 2, gewezen op de mogelijkheid om een milieuschadefonds in het leven te roepen.(3) De belangrijkste functie van zo'n fonds is het bieden van een vangnet voor niet verhaalbare schade, zodat voor een ieder die milieuschade lijdt, die hij redelijkerwijs niet zelf behoort te dragen, en die niet op andere wijze te verhalen is, een vergoedingsmogelijkheid bestaat.

We kennen natuurlijk al langer het Fonds Luchtverontreiniging (art. 15.24 e.v. Wm), maar dit fonds is erg beperkt van opzet en kent bovendien in de praktijk de nodige tekortkomingen.(4) Eén van deze tekortkomingen is dat het enkel gericht is op vergoeding van materiële schade voor individuele personen, terwijl zo'n beperkte benadering in het geheel niet past binnen het karakter van de Wet milieubeheer. Ook het enkel vergoeden van incidentele schade en niet milieuschade die sluipenderwijs is veroorzaakt, is vanuit het standpunt van de slachtoffers van milieuschade geen sterk onderscheid.



3. Wat is milieuschade?

3.1 Inleiding

Er kan alleen een beroep op het milieuschadefonds worden gedaan indien milieuschade is geleden. Het is dan ook belangrijk te komen tot een omschrijving van het begrip milieuschade. Hierbij staat een zo ruim mogelijke uitleg van dit begrip voorop. Voorkomen moet worden dat het fonds slechts betrekking heeft op een beperkt aantal typen van milieuschade. In dat geval zou afbreuk worden gedaan aan de belangrijkste functie van het fonds: het bieden van een vangnet voor niet verhaalbare milieuschade. Hierbij treedt er wel een dilemma op: enerzijds verlangt de waarborgfunctie een ruime interpretatie van het begrip milieuschade, anderzijds moeten met het oog op de praktische hanteerbaarheid van het fonds grenzen worden gesteld aan de uit te keren bedragen. De kern van de problematiek vindt zijn oorzaak in het feit dat het begrip milieuschade een normatief begrip is. Een nauwkeurige en werkbare definitie valt dan ook niet te geven.

Door niet te snijden in het schadebegrip, maar het mes te zetten in de beoordelingscriteria op grond waarvan al dan geen vergoeding van schade wordt toegekend, kan dit dilemma worden doorbroken. Een belangrijk voordeel van deze benadering is dat geen nauwkeurige definitie van de term milieuschade nodig is. Het volstaat aan te geven op welke wijzen milieuschade op kan treden en wat de kenmerken zijn van milieuschade, waardoor deze zich (soms) onderscheidt van het traditionele schadebegrip. De praktijk van het milieuschadefonds zal dan zelf de grenzen van het begrip aangeven. Een ander voordeel is dat het eenvoudiger is duidelijke beoordelingscriteria te formuleren dan te trachten een definitie op te stellen van wat tot milieuschade gerekend moet worden. In tegenstelling tot een normatief schadebegrip zijn beoordelingscriteria veel concreter vast te stellen en dientengevolge in de toekomst ook gemakkelijker, overeenkomstig de dan levende wensen en mogelijkheden, te wijzigen. Op deze manier is er een betere controle mogelijk op de uit te keren bedragen, hetgeen het beheer van een in te stellen milieuschadefonds relatief eenvoudiger maakt, en zonder dat op voorhand reeds afbreuk wordt gedaan aan het vangnetkarakter van het fonds.

3.2 Het begrip milieuschade nader omlijnd

Voor een goede uiteenzetting van het begrip milieuschade kan dit het beste gesplitst worden in een bespreking van het begrip milieu enerzijds en de term schade anderzijds. Het fysieke milieu is hierbij omschreven als `het geheel van levende en niet-levende elementen van het milieu, op zichzelf en in hun onderlinge samenhang, te weten: water, bodem, lucht, mensen, dieren, planten, goederen en de relaties daartussen: eco-systemen, natuur en landschap'.(5) Deze definitie is gekozen vanuit een ecocentrische benadering van het begrip milieu, waarbij aangetekend wordt dat menselijke activiteiten een ongeëvenaarde invloed hebben op de kwaliteit van het milieu. Milieuschade is dan die schade die zijn oorzaak vindt in een door de mens veroorzaakte milieukwaliteitsvermindering. Deze hoeft slechts indirect verband te houden met een menselijke activiteit en ook hoeft het niet zonder meer duidelijk te zijn wie de concrete veroorzakers zijn (geweest).(6) Met deze nuancering is meteen duidelijk dat het begrip milieukwaliteitsvermindering zeer ruim wordt uitgelegd.

In het begrip milieuschade kunnen twee typen schade worden onderscheiden: schade aan het milieu en, als mogelijk gevolg daarvan, schade via het milieu. Schade aan het milieu is gelijk te stellen met een milieukwaliteitsvermindering. Het enkel toevoegen, onttrekken of veranderen van iets in het milieu alleen leidt al tot milieuschade. Een belangrijk kenmerk hiervan is dat het zo kan zijn dat geen enkele aanwijsbare (groep van) perso(o)n(en) de schade claimt. Wie claimt bijvoorbeeld de schade die ontstaat als gevolg van het uitsterven van een plante- of diersoort? Wie komt op voor het belang van de grote wateren (zeeën, rivieren, meren, etc.) en het behoud van een schone lucht? Meer in het algemeen: wie is eigenaar van deze niemand en iedereen toebehorende zaken? Van schade aan het milieu zal dan ook vooral sprake zijn indien ecologische waarden worden aangetast. Het collectief (de samenleving) zal hier de schade lijden. De milieuschade overschrijdt daarbij de som van de individuele schadegevallen. De belangrijkste kenmerken van schade aan het milieu zijn:

- de schade is niet individualiseerbaar;

- er is geen economisch (financieel) nadeel en de schade is mede daardoor moeilijk waardeerbaar;

- de omvang van de schade is relatief groot;

- herstel in de oude toestand is niet of slechts beperkt mogelijk;

- de schade is niet verhaalbaar.

Onder schade die ontstaat via het milieu, verstaan wij die schade waarbij het milieu functioneert als geleider (intermediair). Deze schade wordt per definitie wèl geleden door aanwijsbare (groepen van) individuen. Zij is met andere woorden wèl individualiseerbaar. Schade die als gevolg van de milieukwaliteitsvermindering ontstaat, is de resultante van de eerste vorm van schade. Milieuschade overschrijdt daarbij de som van de individuele schadegevallen niet, maar raakt de belangen van een individualiseerbare groep van personen of persoon. Hieronder kan, met Lambers, worden verstaan: `schade aan de gezondheid van de mens en aan zijn bezittingen, veroorzaakt door de aantasting van zijn fysieke omgeving door verontreiniging, door vormen van hinder of door directe ingrepen in die omgeving ten gevolge van menselijk handelen'.(7) Receptoren zijn derhalve de mens zèlf (schade aan de persoon van de mens, bijvoorbeeld gezondheidsschade en psychische schade) als zijn bezittingen, waarbij hij een economisch belang heeft: materialen, apparaten, maar ook gewassen en dieren (vee, vis, vogels, e.d). De vermindering van de kwaliteit van het milieu zèlf is hier dus niet het onderwerp van de schade.

In geval van schade aan de mens zal het vrijwel altijd om gezondheidsschade gaan (zowel materieel als immaterieel).(8) Van belangenschade zal sprake zijn wanneer hij economisch nadeel ondervindt van een achteruitgang van de milieukwaliteit (vermogensschade). Behalve een individu kan ook een milieu-organisatie of de overheid in haar belang worden geschaad (en als gevolg daarvan economisch nadeel ondervinden). Indien zo'n organisatie kosten maakt voor het herstel van delen van het aangetaste milieu, wordt door haar ook schade geleden. Bedacht moet hierbij worden dat het concrete geval kan (moet) dwingen tot opsplitsing van de schade. In de Borcea-zaak vallen de kosten gemaakt voor het schoonmaken en de opvang van met olie verontreinigde zeevogels onder de categorie schade via het milieu, terwijl de milieuschade die bestond in het sterven van vogels te kwalificeren is als schade aan het milieu.(9) Het is deze laatste vorm van schade die in de praktijk niet vergoed wordt.(10) De belangrijkste kenmerken van schade via het milieu, waardoor deze zich onderscheidt van schade aan het milieu zijn:

- de schade is wel individualiseerbaar;

- de omvang van de schade is meestal te overzien;

- er wordt wel economisch nadeel geleden en de schade is daardoor relatief gemakkelijker te waarderen;

- de schade is altijd een afgeleide schade: zonder schade aan het milieu ontstaat er geen schade via het milieu (milieu is intermediair);

- herstel in de oude toestand is relatief gemakkelijker.

3.3 Het civielrechtelijk schadebegrip en milieuschade

Het is interessant na te gaan welke typen milieuschade gedekt worden door de regeling van het gewone recht. Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt vermogensschade en ander nadeel (art. 6:95 BW). Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst. Een ander onderscheid is dat in persoonsschade (letsel-/overlijdensschade), zaakschade en zuivere vermogensschade. Zaakschade is `de schade die het gevolg is van de beschadiging of vernietiging of het verloren gaan van een zaak'.(11) Bij zuivere vermogensschade gaat het in feite om een vermogensnadeel dat niet als persoons- of zaakschade aangemerkt kan worden. Hierbij komt ook toekomstige schade voor vergoeding in aanmerking (art. 6:96, lid 1 jo. art. 6:105 BW).(12)

Naast de genoemde vormen, komen eveneens als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking (art. 6:96 BW):

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Indien het om milieuschade gaat zullen vooral de categorieën a) en b) van praktisch belang zijn. Door snel ingrijpen en het treffen van schadevoorkomende en/of schadebeperkende maatregelen zal dikwijls het ontstaan van omvangrijke en moeilijk herstelbare schade verhinderd kunnen worden. Het is voor de hand liggend dat deze kosten verhaalbaar zijn. Hetzelfde kan gelden voor de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Gezien het feit dat voor deze vaststelling vaak zeer specialistische kennis vereist is, is het redelijk dat ook de kosten van het inhuren van die kennis vergoed worden.(13)

3.4 Hoe bereken je de schade?

De meeste vormen van milieuschade zijn te berekenen door de herstelkosten te begroten. Dit geldt in ieder geval voor schade die ontstaan is via het milieu. Voor een groot deel gaat dit echter ook op voor wat op het eerste gezicht ecologische schade lijkt. Deze kan namelijk vaak voor een belangrijk deel (voor zover die herstelbaar is) herleid worden tot vermogensschade (bijv. de kosten die gepaard gaan met het aanplanten van nieuwe bomen, het schoonmaken van vogels of het uitzetten van vissen). Maar ook voor de waardering van zuiver ecologische schade, bestaande uit de vermindering van de natuurwaarden, aantasting van ecosystemen etc., zijn verschillende methoden ontwikkeld die ook in de praktijk blijken te kunnen worden toegepast.(14)

3.5 Conclusie

De conclusie kan in ieder geval zijn dat milieuschade zich gedeeltelijk laat vertalen in zonder meer voor vergoeding in aanmerking komende schade.(15) Dit geldt dan met name voor vermogensschade. Toch biedt de praktijk ook voorbeelden (zij het weinig) van immateriële milieuschade.(16) Schade die via het milieu is ontstaan, is in feite te herleiden tot het schadebegrip zoals dit in het civiele recht gehanteerd wordt. Van echte milieuschade is hier eigenlijk geen sprake: het milieu is de geleider langs welke weg de vermogensschade of de immateriële schade tot stand komt. Zonder de door de mens veroorzaakte milieukwaliteitsvermindering, zou de afgeleide schade nooit zijn ontstaan. Schade aan het milieu kan -voor zover herstelbaar- ook langs de gebruikelijke weg bepaald worden, terwijl voor het overige alternatieve vormen van schadewaardering ontwikkeld zijn waarvan toepassing in de praktijk niet onmogelijk is.



4. De beheersbaarheid van het fonds: noodzakelijke beoordelingscriteria

Om het fonds beheers- en bestuurbaar te houden, is het noodzakelijk dat grenzen worden gesteld aan de reikwijdte c.q. de werkingssfeer van het fonds. De beoordelingscriteria die hiertoe in het onderzoek zijn ontwikkeld geven de beleidsruimte aan voor de beheerder van het milieuschadefonds. In het onderzoek is geen blauwdruk gegeven voor de invulling van de verschillende criteria, maar is volstaan met het aangeven van opties. De criteria hebben betrekking op een zestal aspecten.

a. vangnetkarakter van het fonds

Pas wanneer andere bronnen van verhaal geen of onvoldoende uitkomst bieden zal er een beroep op het fonds gedaan kunnen worden. De drempel om een beroep te kunnen doen op het milieuschadefonds moet wel laag zijn. Binnen het vangnetcriterium valt ook de eis dat alleen schade die redelijkerwijs niet voor risico van de gelaedeerde hoeft te blijven voor vergoeding in aanmerking komt. De redelijkheidstoets die hiervoor plaats moet vinden zou uitgevoerd moeten worden door de beheerder van het fonds. De gelaedeerde zal, indien herstelkosten worden gevraagd, aannemelijk moeten maken dat herstel redelijkerwijs te verwachten is. Indien dit herstel niet in meer of mindere mate gegarandeerd kan worden, kan ervoor gekozen worden de schade elders te compenseren, dan wel te volstaan met een schade-uitkering. De schade is immers wel geleden.

b. aard van de schade

Zoals hierboven reeds vermeld heeft het onderzoek uitgewezen dat er geen beperkingen aangebracht zouden moeten worden in het schadebegrip. De enige begrenzing die gesteld moet worden is dat het om milieuschade en de daarmee verband houdende kosten moet gaan. De noodzakelijke begrenzingen moeten worden gezocht in de andere criteria.

c. plaats

Een belangrijk criterium is dat de schade zich moet openbaren in Nederland. Door te kiezen voor de plaats van het optreden van de schade in plaats van de plaats van veroorzaking, worden belangrijke causaliteitsvraagstukken/-discussies voorkomen. Dit criterium biedt tevens een belangrijke prikkel voor de Nederlandse regering om met de haar omringende landen in onderhandeling te treden, bijvoorbeeld over de vraag naar de wenselijkheid van een internationaal (bijvoorbeeld: Europees) milieuschadefonds.

d. tijd

Bij dit criterium gaat het in de eerste plaats om de vraag vanaf welk moment gesteld kan worden dat er milieuschade is. Hier zijn er twee mogelijkheden: het moment van openbaring van de schade of het moment van veroorzaking van de schade. Beide aangrijpingspunten kennen hun eigen specifieke voor- en nadelen. Voor zowel vermogensschade als ecologische schade geeft het moment van openbaring van de schade, volgens dit onderzoek, een goed antwoord op de vraag vanaf welk moment gesteld kan worden dat er milieuschade is.

e. aanvrager

Voor wat betreft de vraag wie een claim in kan dienen, kan de volgende schematische samenvatting worden gegeven, waarbij aangesloten wordt bij het onderscheid naar schadesoorten, zoals dit in de studie is gemaakt.

Schadesoort Wie kan claimen?

- ecologische schade - (aan te wijzen) milieu-organisaties

- zaakschade - natuurlijke en rechtspersonen, incl. overheid

- persoonsschade - natuurlijke personen

- zuivere vermogensschade - natuurlijke en rechtspersonen, incl. overheid

- immateriële schade - niemand

Verdedigd is dat het op principiële gronden onjuist is bepaalde personen van een mogelijkheid tot het doen van een beroep op het milieuschadefonds uit te sluiten. Ook om pragmatische redenen verdient deze stelling de voorkeur. Verzekeringsmaatschappijen en andere partijen die hun bedrijf maken van het verzekeren van milieuschade hoort echter geen beroep toe te komen op een milieuschadefonds.

f. bedrag

Een belangrijk uitkeringscriterium om de uitkeringen uit het fonds beheersbaar te houden is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt. Hiervoor zijn de volgende opties aangegeven:

- teneinde een open-eind regeling te voorkomen, zouden de uit te keren bedragen per jaar aan een maximum kunnen worden gebonden;

- het stellen van een drempelbedrag: alleen schade groter dan dit bedrag komt voor vergoeding in aanmerking;

- een eigen risico, een vast bedrag of percentage. Dit gaat o.a. misbruik tegen (met opzet te hoge claims) en benadrukt dat een zekere milieuschade als zijnde maatschappelijk risico voor eigen rekening moet komen;

- een bovengrens aan uit te keren bedragen: voorkomen moet worden dat enkele gevallen van omvangrijke milieuschade het hele fonds uitputten.

5. Financiering van een milieuschadefonds

5.1 Vermogen van een milieuschadefonds

De omvang van het vermogen van een milieuschadefonds wordt door verschillende factoren bepaald, samenhangend met de aard, het aantal en de hoogte van de claims. Factoren die hierop weer van invloed zijn (met name op het aantal claims) zijn de bekendheid van het milieuschadefonds bij de diverse doelgroepen, het vaststellen van heldere beoordelingscriteria en - vooral - de (beleids)ontwikkeling op andere terreinen. Geleidelijk aan zou een milieuschadefonds zich vooral moeten beperken tot gevallen van onvoorzienbare schade. Voorzover het voorzienbare schade betreft, zou het overige milieubeleidsinstrumentarium een (grotere) rol moeten spelen bij de voorkoming of opheffing van milieuschade. Zo zou bijvoorbeeld de voorzienbare vooraf te ramen milieuschade die als gevolg van infrastructurele projecten als de Betuwelijn of de vijfde baan van Schiphol optreedt, nu en n de toekomst, verdisconteerd moeten worden in de totale investeringskosten. Bij de besluitvorming zou dan bijvoorbeeld al aangegeven moeten worden langs welke weg de milieuschade gecompenseerd zal worden. Zo betaalt de vervuiler! Door voorafgaand aan milieubelastende activiteiten steeds de vraag beantwoorden wat de omvang van de schade zal zijn en hoe deze gecompenseerd moet worden, kan op den duur een situatie ontstaan waarin een milieuschadefonds alleen nog een rol speelt voor zover het onvoorzienbare milieuschade betreft. Calamiteiten zullen zich immers altijd wel voor blijven doen.

Het totale benodigde en beschikbare bedrag per jaar (de omvang van de uitkeringen) is dus afhankelijk van de gesignaleerde behoefte, maar ook van de maatschappelijke acceptatie c.q. de politieke haalbaarheid van mogelijke financieringsbronnen. Zonder een breed gedragen overtuiging van de noodzaak van een milieuschadefonds zal de financiering niet tot stand kunnen komen.

Ondanks de onzekerheid rond de genoemde factoren is wel een ruwe indicatie van de gewenste omvang van het fonds te geven. Hierbij wordt gedacht, afhankelijk van wat men met het schadefonds wil bereiken én de invulling van de beoordelingscriteria, aan een vermogen dat tenminste enkele tientallen miljoenen guldens bedraagt. De gelijktijdige ontwikkeling op andere milieu(beleids-)terreinen, zeker daar waar het voorzienbare milieuschade betreft, kan er overigens toe bijdragen dat het benodigde vermogen in de loop der jaren steeds minder wordt.

5.2 Financieringsbronnen

Een milieuschadefonds zou bij voorkeur zo moeten worden georganiseerd dat de uiteindelijke financiële lasten grotendeels bij de potentiële veroorzakers worden gelegd. Een probleem dat zich echter voordoet, is dat het aan de ene kant wenselijk is zoveel mogelijk naar de veroorzakers van milieuschade te individualiseren (conform het beginsel `de vervuiler betaalt'), terwijl het aan de andere kant niet mogelijk is het aandeel in de totale milieuschade van de verschillende veroorzakers te objectiveren.

Weliswaar is het uitdrukkelijk de bedoeling dat de beheerder van het fonds verhaalsacties gaat voeren om uitgekeerde bedragen van de veroorzakers terug te krijgen,(17) maar uit onderzoek naar buitenlandse milieuschadefondsen blijkt dat zo'n actief verhaalsbeleid niet veel oplevert. Dat is ook wel logisch, want één van de doelstellingen van een milieuschadefonds is ook juist voor die gevallen, waarin het `vervuiler betaalt'-beginsel faalt, een vangnet te bieden; hoewel de Staat wellicht over meer expertise beschikt dan individuele burgers, zal ook de Staat vaak niet de schade op veroorzakers kunnen verhalen.

Er zullen dus meer inkomstenbronnen moeten zijn, en daar zal een ieder aan moeten bijdragen. Uitgaande van het karakter van het fonds (een vangnet voor niet-verhaalbare milieuschade) kan alleen het wat onbevredigende argument naar voren gebracht worden dat iedereen die slachtoffer is van milieuschade (en dus een beroep op het fonds kan doen), ook veroorzaker zal zijn van een bepaalde mate van milieuschade. De algemene middelen zullen dan ook de belangrijkste bron van financiering moeten zijn.(18)



6. Conclusie

De belangrijkste algemene conclusie die uit het onderzoek naar voren komt, is dat er een rol is voor een algemeen milieuschadefonds, een vangnet voor slachtoffers van milieuschade die hun geleden milieuschade niet elders vergoed kunnen krijgen. Tegelijk kan de mate waarin voor bepaalde vormen van milieuschade een beroep op het fonds wordt gedaan voor de overheid een signaal zijn om op dat terrein het beleid te verscherpen. Dit zou de signaleringsfunctie van het fonds genoemd kunnen worden. In de ideale situatie zou dan uiteindelijk het fonds een steeds beperktere rol gaan spelen. Het onderzoek toont aan dat er voldoende mogelijkheden zijn voor de oprichting van een milieuschadefonds, ook wanneer het om zuiver ecologische schade gaat. Wel zullen, zeker in het begin, strikte uitkeringscriteria moeten gelden om te zorgen dat het fonds niet onmiddellijk uitgeput raakt.

1. Mr Peter de Putter is als adviseur werkzaam bij KPMG Milieu in Den Haag. Mr Jonathan Verschuuren is als universitair docent milieurecht verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant (KUB). De auteurs danken hun mede-onderzoekers prof.mr P.C. Gilhuis (KUB), prof.dr. W.A. Hafkamp (Erasmus Universiteit Rotterdam en KPMG Milieu) en mw mr Joh. Hofland (KPMG Milieu) voor hun opmerkingen bij dit artikel. Dit artikel is ook verschenen in Milieu en Recht 1995/5, p. 96-99.

2. Een milieuschadefonds in Nederland; een onderzoek naar de mogelijkheden, Publikatiereeks milieubeheer nr. 1994/3, Ministerie van VROM, oktober 1994. Het rapport is te bestellen bij: Distributiecentrum VROM, Postbus 2727, 3430 GC Nieuwegein, Tel: 0900-8052 (fl. 0,40 / 0,18 EURO per minuut) Fax: 0900-2018052 (fl. 0,40 / 0,18 EURO per minuut)

3. Kamerstukken II, 1993/94, 23 560, nrs. 1-2, p. 184.

4. Dit blijkt uit de evaluatie van het Fonds luchtverontreiniging; zie bijlage I bij het in noot 2 genoemde rapport.

5. Definitie ontleend aan het Plan Integratie Milieubeleid, Kamerstukken II, 1982/83, 18 010, nr. 1.

6. R.J.J. van Acht e.a., Milieuprivaatrecht, Zwolle 1992, p. 15-16.

7. Aangehaald in het rapport van de Werkgroep civielrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuschade van de Vereniging voor Milieurecht, opgenomen in N.S.J. Koeman/W.J. Ouwerkerk/J.M. van Dunné, Civielrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuschade, VMR 1987-4, Zwolle 1989, p. 38.

8. Voor deze schade biedt een verzekering (sociaal zekerheidsstelsel of een particuliere verzekering) meestal dekking.

9. Rechtbank Rotterdam, 15 maart 1991, M en R 1991, nr. 130 m.nt. Kottenhagen-Edzes (Borcea).

10. Gewaakt moet dan ook worden voor de stelling dat de Borcea-procedure een algemeen recht geeft op vergoeding van milieuschade. `Aangenomen moet worden dat milieu-organisaties en de overheid naar huidig recht niet de mogelijkheid hebben om vergoeding in geld te vragen voor het verloren gaan van ecologische waarden, zonder dat kosten worden gemaakt in verband met herstel of compensatie van het verlies', C.J. Bastmeijer, Schadevergoeding in geval van aantasting van natuurgebieden, M en R 1992/10, p. 521.

11. P.A. Kottenhagen-Edzes, Milieuschade en privaatrecht, drie casus, in: TMA 87-2, p. 35. Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW)

12. Een voorbeeld waarin zuivere vermogensschade wordt geleden is de schade van de eigenaar van een supermarkt, die zijn omzet ziet dalen omdat zijn klanten door stank gedwongen worden uit de buurt te vertrekken. En de campingeigenaar die geen of nauwelijks gasten meer heeft omdat het meer waaraan de camping is gelegen vol zit met zware metalen, afkomstig van een fabriek, leidt eveneens zuivere vermogensschade. Ook de huiseigenaren in de buurt van datzelfde meer leiden zuivere vermogensschade, ook al zijn zij niet van plan hun in waarde gedaalde huizen te verkopen! En de visser die in verontreinigd water vist, en daardoor geconfronteerd wordt met een teruglopende visstand lijdt eveneens zuivere vermogensschade. In al deze gevallen wordt winst gederfd ofwel: er wordt economisch nadeel geleden.

13. Aldus J.H.W. Koster, Schade, in: Handboek milieu-aansprakelijkheid, 1992, p. A1600-3/4.

14. Vanwege de beperkte ruimte moet hier volstaan worden met een verwijzing naar het rapport, p. 40-63.

15. Van Acht e.a., a.w., p. 16. Vanzelfsprekend is geleden schade alleen niet genoeg om een vergoeding toegekend te krijgen. Indien de schadevergoedingseis wordt gegrond op wanprestatie, zal er sprake moeten zijn van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van de gedaagde, terwijl wanneer het beroep wordt gegrond op een onrechtmatige daad van de gedaagde, de rechter pas een onrechtmatige daad aan zal nemen indien ook aan de andere voorwaarden is voldaan (onrechtmatigheid, schuld, causaliteit en relativiteit). Met name de causaliteitseis kan hier problemen opleveren.

16. Een voorbeeld uit de praktijk waarin immateriële schade in principe toegekend wordt, biedt een uitspraak van de Rb Roermond van 15 augustus 1991, M en R Kort 1994/1, nrs. 37 en 38. Drie omwonenden van een veevoederfabriek vorderen van deze laatste schadevergoeding wegens immateriële schade als gevolg van geluidoverlast. De schade uit zich ondermeer in: verstoring van rust en slaap; beïnvloeding van het vegetatieve zenuwstelsel; stress-verschijnselen en een verhoogde vatbaarheid voor irritaties. Mede dankzij deskundigen slagen de eisers in het leveren van het bewijs dat zij immateriële schade hebben geleden en dat deze veroorzaakt is door het handelen van gedaagde, de veevoederfabriek. De rechtbank wijst een schadevergoeding toe van f. 15.000,- per persoon, waarbij met de bijzondere omstandigheden van de personen is rekening gehouden. Zie ook Rb Roermond 3 april 1986, TMA 87/1, p. 29-31.

17. De gedachte hierachter is dat het voor de overheid, gezien de hier aanwezige expertise, gemakkelijker is om verhaalsacties te voeren dan voor individuele burgers; bovendien zou door dergelijke acties de ontwikkeling van het milieu-aansprakelijkheidsrecht versneld kunnen worden.

18. Andere, voor de toekomst wellicht interessante bronnen kunnen worden gevonden in de inkomsten uit een deel van de opbrengsten van dwangsommen en bestuurlijke boetes. Tot slot kan wellicht gedacht worden aan inkomsten uit betaalde premies voor verplichte milieu-aansprakelijkheidsverzekeringen.